| IRM Model informatie | |
| Inleiding | |
|
Tijdens het ontwikkelen
van software, zorgen interfaces meestal voor grote problemen. Is het niet
de communicatie met een andere bedrijfsapplicatie, dan is het wel de communicatie
met een externe partij waarbij men tegen onverwachte problemen aanloopt.
Vaak blijkt pas tijdens het testtraject dat er onvoorziene situaties zijn
of komen interpretatieverschillen aan het licht. Samengevat: het doel van het Interface referentiemodel is om alle aspecten van een interface in kaart te brengen zodat men tijdens de implementatie niet voor verrassingen komt te staan. |
![]() |
| Samenhang Interface Referentiemodel, modelleringstool en codegenerator | |
|
Bovenstaand figuur toont de verschillende lagen van het Interface Referentiemodel (in het grijze vlak). Met de IRM modelleringstool kan men een interface ontwerpen op basis van het Interface Referentiemodel waarna de "Interface generator" de code hiervoor kan genereren in de gewenste programmeertaal. |
|
| Het Interface Referentiemodel | |
Het interface
referentiemodel (IRM) bestaat uit vijf lagen:
|
|
| Transportlaag | |
| De
transportlaag draagt zorg voor het daadwerkelijk versturen en ontvangen
van berichten. Het subsysteem maakt gebruik van een bestaande transportmethode
en de daarbij behorende Application Programming Interface (API) om te communiceren.
De transportmethode bepaalt ook de gebruikte overdrachtsmethode: real-time
of store-and-forward. Voorbeelden van transportmethoden zijn: Websphere
MQ, sockets en RPCs. De transportlaag zorgt voor eventuele conversie. Denk hierbij aan ASCII, EBCDIC, unicode en big- versus little-endian codering. Andere taken kunnen zijn compressie/decompressie en encryptie/decryptie. |
|
| Berichtlaag | |
|
De berichtlaag beschrijft
de syntax en enkele semantische aspecten van elk bericht. De notatie combineert
de eenvoud van een tabulaire notatie met de kracht van de Backus Naur
Form (BNF). Zo is herhaling van (een combinatie van) attributen eenvoudig
aan te geven. Het is ook mogelijk om attributen te specificeren die alleen
geldig zijn bij een bepaalde waarde van een ander attribuut. Bijvoorbeeld:
het attribuut "commandocode" met daarbij voor elke waarde van
dit attribuut een specifieke reeks van geldige attributen.
De berichtlaag bevat ook semantische tabellen voor attributen met een gecodeerde betekenis. Hierin staat bijvoorbeeld dat de betekenis van de waarde '31' bij het attribuut landcode "Nederland" is. |
|
| Applicatieprotocollaag | |
|
De applicatieprotocollaag beschrijft de onderlinge samenhang tussen de berichten gespecificeerd in de berichtlaag. Niet de inhoud, maar het proces staat centraal in deze laag. Onderdelen van dit proces zijn:
|
|
| Applicatielaag | |
| In
het interface referentiemodel definieert de applicatielaag de API van de
relationele functies. De lokale functies van het subsysteem maken gebruik
van deze API om te communiceren met de andere subsystemen. De lokale functies
zelf maken geen deel uit van de applicatielaag. Daarnaast specificeert de applicatielaag het programmamodel: is het een serverapplicatie die verzoeken van meerdere clients gelijktijdig af moet handelen of vormt het een onderdeel in een store-and-forward model. |
|
| Systeemlaag | |
|
De systeemlaag geeft
een overzicht van het gehele bedrijfsproces. Het legt vast welke subsystemen
met elkaar communiceren en wie de initiator van de communicatie is.
|
|
| Dit was slechts het theoretisch model. Lees verder over het programma waarmee u een interface kunt modelleren. | |
|
© 2004 Computer Interface Solutions
|
|